|
De! Kunsthumaniora schoolwerkplan het pedagogisch project van de studierichting Artistieke Opleiding |
1.
Doelstelling
2.
Profiel van de leerling
3.
Profiel van de studierichting
3.1 kunstvakken
3.1.1
filosofie
3.1.2
concrete invulling
3.2 algemene vakken
3.2.1
filosofie
3.2.2
concrete invulling
4. Profiel van de leraar
1.
Doelstelling.
1.1 de studierichting AO is
een studierichting van het KSO.
KSO is doorstromingsgericht.
-) AO is doorstromingsgericht én
dus niet finaliteitgericht!
1.2 de studierichting AO
behoort tot het studiegebied beeldende kunsten.
Het studiegebied BK wordt
gekenmerkt door het bestaan van een driepoligheid binnen het studiegebied:
· vorming
· kunsten
· opleiding
Opleidingsrichtingen leggen het accent op het artistiek - praktische op basis waarvan het conceptueel denken wordt
ontwikkeld. Er is een overaanbod aan kunstvakken en de leerlingen worden vnl.
voorbereid op doorstroming naar de studierichtingen in het studiegebied
audiovisuele en beeldende kunst en aanverwante in het hoger onderwijs
2.
Profiel van de leerling.
2.1 theoretisch kan mens stellen dat de AO- leerling een leerling is:
-
met intrinsieke talent voor het beeldende,
-
met een uitgesproken en overtuigende interesse voor het
creatief –artistieke,
-
waarvan de creatieve individualiteit
op de voorgrond treedt.
Het maximaal aanboren van
deze kenmerken staat dan ook centraal in de opleiding
2.2 concreet komt het erop neer dat
een AO – leerling geen “zwakke” leerling BK is, maar een leerling met:
-
een (overschot) aan interesse voor de KV
-
eventueel een mindere belangstelling aan AV en/of problemen
met AV. Maar: zonder dat dit eigenlijk te maken heeft met een intrinsieke zwakte voor die vakken (vb.
anderstaligen, leermoeilijkheden, examens,…).Dus: voor zover men het woord
“zwakte” zou willen gebruiken: geen inhoudelijke, dan wel een structurele
zwakte.
3.
profiel van de studierichting.
De studierichting AO houdt meer in dan het structurele overwicht van de kunstvakken op de algemene vakken.
3.1 kunstvakken:
3.1.1 filosofie
Voor wat de kunstvakken betreft stelt men zich tot doel:
· deze specifieke leerlingengroep
· op een procesmatige manier en met een organische leermethode
· begeleiden en voor te bereiden op het hoger kunstonderwijs.
Met dien verstande dat:
Ø Het artistieke en de praktische uitwerking hebben voorrang hebben op het strikt cognitieve:in onze pluralistische, snel veranderende wereld en maatschappij tracht de AO de leerling de informatiestroom op een individuele , artistieke manier te verwerken en te bewerken. De AO wil haar leerlingen artistiek, en dus ook maatschappelijk, begeleiden in hun omgang met de maatschappij, eerder dan hen te willen vormen naar één normatief voorbeeld.
Ø Grote ruimte wordt gelaten aan de individualiteit van de leerlingen. De daaruit voortvloeiende diversiteit in de doelgroep, maakt dat er geen echte uniforme en éénduidige les- /werkmethode wordt gevolgd, maar dat er een flexibele en gedifferentieerde aanpak werd ontwikkeld.
Ø Projectwerking, gekoppeld aan GWP en GIP (3de graad), deel uitmaakt van het PP
3.1.2 concrete invulling
- de studierichting kenmerkt zich door een organische en minder normatieve omgang met leerinhouden en werkmethoden. Inhoud en methode zijn geen gebruiksklare, vooraf omschreven, instrumenten die, ongeacht het karakter van de leerling, kunnen worden toegepast. De centrale positie die de leerling inneemt impliceert een flexibiliteit van de invulling van leerinhouden en werkmethoden -) op artistiek/creatief vlak individuele ontwikkelingstrajecten.
- de opdeling van de kunstvakken gebeurt op basis van twee pijlers: de waarneming (waarnemingstekenen) en de interpretatie (toegepaste beeldende vorming in de 2de graad, kunstambachten in de 3de graad):
· in de 2de graad wordt in de verschillende ateliers nog eerder vakgebonden gewerkt,
· in de 3de graad worden de interpretatievakken opgevat als één doorlopend ateliergebeuren.
Toch krijgen ook de leerlingen van de 2de graad al een grote ruimte om lesopdrachten zelf inhoudelijk in te vullen. De aangeleerde technieken zijn een hulpmiddel daartoe, dus geen doel op zichzelf
- in de 3de graad wordt aan de leerlingen de mogelijkheid gegeven om binnen de verschillende kunstvakken een keuze te maken uit één van twee modules: toegepaste (audiovisuele vorming, grafische vormgeving en ruimtelijke vormgeving/scenografie) of vrije (audiovisuele vorming, beeldhouwen, schilderen en vrije grafiek).Het waarnemingstekenen blijft echter tot het laatste jaar van de opleiding het artistieke ankerpunt, ongeacht de persoonlijke voorkeur van de leerlingen.
- in de 3de graad zal de leerling ook meer en meer beginnen te werken in functie van zijn latere studiekeuze. De persoonlijke voorkeur van de leerling voor één of meerdere artistieke activiteiten bepalen de wijze waarop hij door de leraars zal begeleid worden. De vakgebonden studiemethode maakt definitief plaats voor een vakoverschrijdende en permanente atelieractiviteit.
- in het laatste jaar werken de leerlingen voor het grootste deel van het jaar (vanaf Pasen volledig)in functie van de geïntegreerde proef. Op die manier kan de leerling zich optimaal voorbereiden op zijn verdere studie na dé Kunsthumaniora
3.2
algemene vakken
3.2.1 filosofie
De leerlingen in Artistieke Opleiding beschikken niet allemaal over dezelfde leervoorwaarden om met succes het secundair onderwijs af te ronden. Toch stellen we ons tot doel deze groep leerlingen de eindtermen te laten behalen en voor hen de kans op een secundair diploma en op hoger onderwijs gaaf te houden.
Door: er voor te opteren dat de leerling zijn individuele bekwaamheden kan ontplooien. Dit door :
· aangepaste werkvormen aan te bieden
· intensieve begeleiding
3.2.1.1 Werkvormen:
Dit houdt in dat we vooral zullen werken met leerprocessen, eerder dan met leerinhouden en dat evaluatie eerder gericht is op het werkproces dan op het eindproduct. Hierbij is de didactische aanpak van belang om het procesgerichte te ondersteunen: een visie op procesgericht onderwijs en aanpak en duidelijk geformuleerde doelstellingen voor deze aanpak zijn een noodzakelijkheid.
Projectwerking is een belangrijke werkworm binnen de studierichting
3.2.1.2. Intensieve begeleiding:
We vinden het belangrijk de leerling bij te brengen dat leren een levenslang proces is: inhouden zijn onontbeerlijk, maar strategieën, samenwerkingsverbanden zijn even veel nodig. De leerling moet zijn eigen kwaliteiten leren zien en versterken op eigen ritme en volgens eigen werkplan. De leraar krijgt meer en meer de rol van begeleider, die ook oog moet hebben voor socio-emotionele, sociale en culturele achtergronden van zijn leerling. Samen met de leerling zoekt de leraar naar de beste ontwikkelings- en leerprocessen: onderwijs op maat, gedifferentieerd onderwijs.
3.2.2 concrete invulling
Ø Leerplannen worden als hulpmiddel gebruikt, en zijn niet op zichzelf na te streven doelen.
Ø Strategieën verwerven is belangrijker dan het vergaren van parate kennis.
Ø Vakoverschrijdende eindtermen, ervaringsgericht leren krijgen voorrang.
Ø Geopteerd wordt voor een permanente evaluatie. Zij heeft tot doel het continue karakter van de evaluatie te beklemtonen, waarbij een voortdurende zorg voor de vorderingen van de leerling centraal staat. Deze evaluatie kan zowel formatief als summatief zijn. Voor dagelijks werk wordt een gemiddelde berekend van de gegevens via klasoefeningen, individuele en groepstaken. Deze permanente formatieve evaluatie laat de leerkracht toe voor elke leerling gedifferentieerde klasoefeningen, taken, opdrachten… op te geven en te evalueren. De begeleiding moet zowel de individuele kwaliteiten van alle leerlingen ondersteunen als het groepsproces van de klas. Voor het cijfer examen komen die evaluatiegegevens van syntheseopdrachten, -toetsen, totaaltaken… in aanmerking. De kenmerken van deze evaluaties zijn doelmatigheid (validiteit, betrouwbaarheid en efficiëntie) en billijkheid (objectiviteit, doorzichtigheid en normering). De leerling weet welke evaluatie voor dagelijks werk en welke voor examen telt. De werkperiode en evaluatie AV wordt, voor de derde graad)reeds in mei beëindigd, zodat ook voor de AV de laatste periode in het teken kan staan van de GIP (theoretische onderbouw)
Ø Gedifferentieerd onderwijs: in de didactische aanpak moet ruimte zijn voor de persoonlijkheid, aanleg en leerstijl van elke leerling. Om de totale ontwikkeling van de leerling te bevorderen is het aangewezen om de klasoefeningen, taken, testen, opdrachten te differentiëren. Als differentiatie tijdens de lessen moeilijk te hanteren is, kan dat wel in groepsopdrachten, in verdiepingsopdrachten.
Vakoverschrijdend kunnen op dit vlak mooie afspraken gemaakt worden.
3.3 Integratie AV/KV:
Nog meer dan in de andere studierichtingen van het studiegebied BK is er een osmose tussen de AV en KV : algemene vorming wordt ook bereikt via de KV; creatieve vorming wordt ook bereikt via de AV.
Met als gevolg dat bij de project werking( en dus ook de GWP en de GIP) zowel de AV als de KV evenwaardig betrokken worden.
Meer nog dan in de andere studierichtingen is
de leraar in AO in de eerste
plaats pedagoog en begeleider dan wel
vakdidacticus.
Algemene
opmerking: het pedagogisch project AO wordt meer doorgevoerd in de 3de
graad dan in de 2de graad, vnl. op structureel vlak: in de 2de
graad moeten de leerlingen nog steeds een overstap kunnen maken naar andere
onderwijsvormen buiten het KSO